Eenmaal thuisgekomen bleek dat ook in Nederland het fiscale landschap volop in beweging is. Het kabinet presenteerde eind september nieuwe plannen voor box 3, met mogelijk grote gevolgen voor spaarders en beleggers.
Van forfait naar werkelijke winst
De belangrijkste koerswijziging is dat het kabinet al vanaf 2028 voor financiële instrumenten zoals aandelen, obligaties en opties wil overstappen op een vermogenswinstbelasting. De waardestijging wordt dan in beginsel pas belast op het moment dat deze daadwerkelijk wordt gerealiseerd. Voor vastgoed was een dergelijke systematiek al voorzien. Het streven is om vanaf 2030 het gehele box 3-stelsel op een vermogenswinstsystematiek te baseren.
Daar staat tegenover dat deze wijziging de overheid in de eerste jaren belastinginkomsten kost. De dekking wordt daarom onder meer gezocht binnen box 2 en box 3.
Plannen nog allesbehalve definitief
Op 29 september stelde het kabinet voor het heffingsvrije resultaat te verlagen van € 1.800 naar € 1.000, het heffingsvrije vermogen in 2027 fors te verlagen en het forfaitaire rendement op overige bezittingen te verhogen. Daardoor zouden meer kleinere spaarders en beleggers met box 3-heffing te maken krijgen. Op 1 oktober gaf minister Heinen echter aan dat er onvoldoende steun is voor die € 1.000 en dat het kabinet een hogere grens zoekt.
De Eerste Kamer houdt de stemming over de Wet werkelijk rendement box 3 aan in afwachting van een novelle. Vooral 2027 en de overgang per 1 januari 2028 worden belangrijke jaren. Eén ding is nu al duidelijk: het Nederlandse fiscale landschap biedt nog niet bepaald het ultieme Zwitserleven gevoel.
